Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) 239 wordt door patiënten. Klinisch significante en relevante plasklachten, hoewel voorbijgaand, treden echter frequent op in de eerste drie maanden na behandeling. Daarnaast laat deze studie zien dat, in patiënten met een goede erectiele functie op baseline, er een duidelijke afname in erectiele functie over tijd plaatsvindt na stereotactisch bestraling van de prostaat. De resultaten zijn daarmee in lijn met andere studies die vroege uitkomsten na (MRI-gestuurde) stereotactische bestraling rapporteren. Hoewel de eerste resultaten van MRI-gestuurde stereotactische bestraling voor prostaatkanker veelbelovend zijn, moeten patiënten langer gevolgd worden om ook late bestralingseffecten en oncologische uitkomsten in kaart te kunnen brengen. Daarnaast zijn vergelijkende studies nodig, bij voorkeur gerandomiseerd, om de toegevoegde waarde van sturing middels MRI vast te stellen. Gezien het feit dat met name milde plasklachten na stereotactische bestraling voor prostaatkanker nog veelvuldig voorkomen, is er ruimte voor het verbeteren van de bestralingsbehandeling. Door de bestralingsdosis in specifieke organen en/of (sub)structuren te correleren met toxiciteit, kan potentieel het bestralingsplan worden verbeterd en daarmee de kans op toxiciteit worden verkleind. Echter, er is weinig bekend over de associatie tussen de daadwerkelijk afgeleverde dosis en patiënt-gerapporteerde plasklachten. Op een MR-Linac wordt veel (technische) informatie verzameld, waaronder MRI-scans en bestralingsplannen. Deze informatie kan gebruikt worden om de daadwerkelijk afgeleverde dosis te bepalen. Hiervoor is het nodig om de dosis van de verschillende behandelfracties bij elkaar op te tellen (accumuleren). In hoofdstuk 7 kijken we naar de correlatie tussen de geaccumuleerde dosis die de blaas en blaaswand ontvangen en patiëntgerapporteerde plasklachten in de eerste drie maanden na behandeling. Hiervoor is data uit het Utrecht Prostaat Cohort (UPC) gebruikt. Honderddertig (130) patiënten met prostaatkanker, behandeld met stereotactische bestraling in vijf fracties van 7.25 Gy op een 1.5 T MR-Linac, zijn in deze studie geïncludeerd. Op de dagelijkse MRI-scan van elke fractie (650 in totaal) zijn de blaas en blaaswand ingetekend door een arts. De geaccumuleerde dosis is vervolgens gereconstrueerd met behulp van het in-huis ontwikkelde ‘EVolution’ algoritme. Verschillende dosisparameters zijn vervolgens berekend voor de blaas en blaaswand en daarna middels statistische technieken (logistische regressie) gecorreleerd met de uitkomst. De uitkomst – klinisch significante, acute plasklachten – is in deze studie gedefinieerd als een toename in patiënt-gerapporteerde plasklachten (een toename van de Internationale Prostaat Symptoom Score (IPSS) van ten minste 10 punten ten opzichte van baseline) en/of het starten van tamsulosine (medicatie welke plasklachten vermindert) in de eerste drie maanden na behandeling. De resultaten van deze studie tonen aan dat meerdere dosisparameters voor de blaas en blaaswand zijn gecorreleerd met de uitkomst, ook wanneer gecorrigeerd wordt voor andere klinische variabelen. Daarnaast lijkt de blaaswand een betere voorspeller voor toxiciteit te zijn dan de gehele blaas. Op basis van de resultaten van deze studie hebben we een voorstel gedaan voor het gebruik van enkele nieuwe dosisparameters, waaronder het volume van de blaaswand dat een dosis van 25 Gy ontvangt, voor het opstellen van een bestralingsplan. Toekomstig onderzoek is nodig om deze bevindingen te bevestigen en om de klinische effecten hiervan te evalueren. A
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw