243 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel Om te onderzoeken in hoeverre leerlingen met het ontworpen redeneermodel in staat zijn om redeneerstappen op te zetten en inzichten over de behandelde roman te verwerven en te verwoorden, is het redeneren van twee leerlingen in detail geanalyseerd en zijn de hierbij gevonden patronen gerelateerd aan de bevindingen van de onderzochte groep als geheel. Daarnaast zijn de resultaten van een directe mondelinge evaluatie van de lessenreeks door de leerlingen systematisch geanalyseerd om patronen in hun opvattingen over de lessenreeks te achterhalen. Op basis van analyses van de opdrachten, de evaluaties van de leerlingen, de lesobservaties en de bevindingen met betrekking tot motivatie en leren, kunnen enkele tentatieve conclusies worden getrokken over de toegepaste redeneerdidactiek, de wijze waarop leerlingen de opdrachten hebben uitgevoerd en de ervaringen van de leerlingen met de lessenreeks. Deze conclusies zijn weergegeven in paragraaf 9.6.1. Aan deze conclusies verbind ik vervolgens enkele aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het ontwerp. Deze komen aan de orde in paragraaf 9.6.2. 9.6.1 Conclusies over het redeneermodel Met betrekking tot de redeneervragen werd duidelijk dat het voor leerlingen vrij lastig is om zelfstandig met vragen te komen die uitnodigen tot literatuurhistorisch redeneren. Dit komt ook terug in de evaluaties van de leerlingen, waarin dit onderdeel de meeste kritiek kreeg. Omdat een goede vraag een voorwaarde is voor een goede redenering, moet op basis van deze resultaten het ontwerp van de redeneerdidactiek worden aangepast. In een volgende versie van het ontwerp zullen de redeneervragen als onderdeel van de didactiek worden aangeboden en hoeven ze niet langer door de leerlingen zelf te worden bedacht. Dit heeft als bijkomend didactisch voordeel dat het aanbieden van bronmateriaal gemakkelijker en gerichter kan gebeuren. De ervaringen laten zien dat voor het onderdeel ‘stellen van literatuurhistorische vragen’ meer lessen nodig zijn dan het ontwerp qua ruimte toelaat. Omdat het onderdeel een belangrijk element vormt in het model voor literatuurhistorisch redeneren van Bax en Mantingh (2019) is het wenselijk om in het ontwerp een alternatieve opdracht op te nemen waarin de leerling zelf een vraag formuleert. De twee uitgebreidere redeneeropdrachten werden door de leerlingen veel positiever geëvalueerd dan de opdrachten waarbij ze redeneervragen moesten stellen. Dat komt overeen met de observatie dat er bij die opdrachten betere resultaten werden behaald. Het onderdeel ‘zelf vragen stellen’ moet daarom worden vervangen door uitgebreidere redeneeropdrachten zoals die in les 3 en 4 zijn gegeven. Dit sluit aan bij de opzet die in
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw