240 Hoofdstuk 9 voor. Leerlingen ervaren de lessenreeks of onderdelen ervan als nuttig of belangrijk (‘Door de vragen ging je zelf nadenken, ook na de les’ of ‘Ik kwam door het redeneren tot een veel vollediger antwoord. Daar heb ik vaak moeite mee’). Intrinsieke motivatie komt in 17 opmerkingen naar voren (‘Het redeneren werd steeds uitdagender en leuker’ of ‘Ik kijk er met plezier op terug’). Op het gebied van gereguleerde motivatie is vooral externe motivatie zichtbaar: leerlingen doen een onderdeel niet met plezier, maar alleen omdat het een opdracht is van school (‘Het was te lang’ of ‘Ik vond het saai’). De negatieve ervaringen van de leerlingen hebben soms ook praktische oorzaken (‘Het digitale vond ik minder. In de les volg ik het beter’). De opmerkingen die duiden op externe motivatie zijn vrij divers, maar enkele opmerkingen komen meerdere keren voor. Het gaat om negatieve opmerkingen over het stellen van de vragen (‘Vragen stellen was een beetje saai’ of ‘Bij het zelf vragen stellen vroeg ik me af waarom we dit deden’) en om opmerkingen die erop duiden dat de leerlingen herhaling hebben ervaren (‘De uitkomst was soms hetzelfde’ of ‘Ik had het gevoel dat ik iets dubbel deed. Het waren te veel stappen’). Vier opmerkingen duiden op geïntrojecteerde motivatie, wat betekent dat leerlingen een onderdeel lastig vinden of zich niet capabel voelen en dit als vervelend ervaren (‘Het zelf vragen stellen vond ik niet leuk, want toen was ik nog niet verdiept in het onderwerp en werd ik in diepe gegooid’). De observaties en analyses laten een overwegend positief beeld zien met betrekking tot motivatie. Autonome motivatie is volgens Deci en Ryan de meest effectieve vorm van motivatie en in een schoolsituatie is een combinatie van intrinsieke en geïdentificeerde motivatie zeer wenselijk. De opmerkingen die onder externe motivatie vallen, geven aanleiding om na te denken over het aanpassen of vervangen van onderdeel ‘zelf vragen stellen’ en over de mogelijke onduidelijkheid van de redeneerstappen. Een concretere formulering van de stappen kan het onderscheid tussen deze stappen voor de leerlingen verduidelijken. 9.5.3 Leren In de lesobservaties is te zien dat de leerlingen bij het uitvoeren van de eerste redeneerstappen in les 2 en 3 nog wat moeten wennen aan deze nieuwe manier van werken. De opdrachten leiden tot vragen bij de leerlingen. Twee vragenstellers vinden het lastig dat ze niet weten of hun idee goed is en twijfelen over hun antwoord. Twee leerlingen geven aan geen gedachten over het onderwerp van de redeneervraag te hebben, maar bij doorvragen van de docent komen ze toch met een antwoord. In de vierde les stellen de leerlingen in de klas en online geen inhoudelijke vragen bij de redenering of de redeneerstappen. De laatste opdracht verloopt zichtbaar soepeler voor
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw