Renate van Keulen

233 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel leerlingen werken na de les nog door. Dat heeft enerzijds met de lengte van de opdracht te maken, anderzijds ook met het nieuwe van het systeem. Bij les 4 was de opdracht langer, maar waren de leerlingen sneller klaar. Dit wijst erop dat de leerlingen door de ervaring die ze inmiddels hebben opgedaan, sneller door de redeneerstappen gaan. Tijdens de lessen stellen de leerlingen geen vragen over het analyseren van het literaire fragment en de bronnen, maar wel over het verwoorden van de inzichten. De leerlingen die vragen stellen, vinden het lastig om te beschrijven wat ze nu precies hebben ‘ontdekt’. 66 opmerkingen bij de evaluatie betreffen het redeneren zelf, ofwel het systeem met de stappen die leiden tot het formuleren van een inzicht. In vier opmerkingen geven leerlingen aan dat ze gaandeweg de opdrachten het redeneren zelf beter onder de knie kregen (‘Later werd het makkelijker, omdat ik het systeem snapte’). In 44 opmerkingen geven leerlingen aan hoe het systeem hen heeft geholpen: inhoudelijk (‘Door de inzichten ga je nadenken over het boek, meer dan normaal’), bij het krijgen van betere resultaten (‘Ik kwam door het redeneren tot een veel vollediger antwoord’) of omdat ze het in het algemeen nuttig vonden (‘Het steeds aanpassen van het antwoord was nuttig. Dat doe ik normaal niet’). Twee leerlingen noemen het redeneren saai of vervelend en drie leerlingen geven aan dat zij hun antwoorden herhaalden (‘De uitkomst was soms hetzelfde en dat was eentonig’). Drie leerlingen noemen het redeneren in het begin lastig (‘Toen wist ik nog niet precies wat we moesten doen’) en vier leerlingen vonden het redeneren intensief (‘Het moeten opschrijven van wat al je in je hoofd zat, daar zag ik soms tegenop’). De opmerkingen laten zien dat de leerlingen over het algemeen positief zijn over het redeneermodel en het nut ervan. Met name het aantal opmerkingen in de categorie ‘behulpzaam’ valt op. Leerlingen zien in dat hun antwoorden rijker en uitgebreider worden door toepassing van het redeneermodel. Ze komen naar eigen zeggen op nieuwe gedachten over De donkere kamer van Damokles en literatuur in het algemeen of worden daarbij geholpen door de aangeboden bronnen. Dit sluit aan bij de analyse van de opdrachten, waarin zichtbaar wordt dat de leerlingen de redeneerstappen en aangereikte broninformatie inderdaad inzetten in hun redeneerproces. Evaluatie van de opdrachten 34 opmerkingen in de evaluaties betreffen de redeneeropdrachten van les 3 en 4. Het gaat om opmerkingen over de opdrachten in het algemeen en om opmerkingen die specifiek gaan over een van de twee opdrachten. Tabel 9.5 geeft een overzicht van de in vier categorieën gecodeerde opmerkingen met betrekking tot de opdrachten.

RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw