232 Hoofdstuk 9 doel, namelijk als element in hun redenering. Daarmee staat het lezen van een nietliteraire, of zakelijke tekst in dienst van het verwerven van een inzicht over literatuur. Inzichten verwerven door redeneren maakt het dus mogelijk om zakelijk en literair lezen met elkaar te combineren en te laten interacteren. De twee vormen van lezen versterken elkaar en maken elkaar betekenisvol doordat ze gekoppeld zijn. De leeswijze die leerlingen bij de tekstuele bronnen hanteren is doelgericht en betekenisvol en niet gericht op het beantwoorden van vragen, maar op begrip. Dit sluit aan bij de door Rooijackers (2023) naar aanleiding van zijn onderzoek naar leesvaardigheidsonderwijs gedane aanbevelingen om lezen betekenisvol te maken, af te wijken van de ‘tekst-metvragen-didactiek’ en aandacht te besteden aan meervoudig tekstbegrip door het gebruik van meerdere documenten over hetzelfde onderwerp. De evaluaties van de leerlingen bevestigen het beeld dat het gebruik van bronnen een positieve bijdrage kan leveren aan het redeneerproces. In 14 van de 22 opmerkingen die specifiek over de bronnen gaan, worden de bronnen ‘behulpzaam’ genoemd. Leerlingen geven aan dat ze er nieuwe ideeën, kennis of inzichten door krijgen (‘Goed om te vergelijken met de tekst om nieuwe ideeën te krijgen’ of ‘Door het werken met bronnen kijk je vanuit andere hoeken naar het boek waardoor ik het beter begrijp’). In drie opmerkingen worden de bronnen leuk of interessant genoemd. Vijf van de 22 opmerkingen zijn negatiever van aard. Twee leerlingen vonden de bronnen niet nuttig (‘Ik dacht: dat kan ik zelf wel weten’), twee leerlingen waren negatief over het onderdeel (‘Ik had er soms niet zo’n zin in’) en één leerling vond het analyseren van de bronnen veel werk (‘Het duurde lang’). In de lesobservaties zijn met betrekking tot het onderdeel ‘bronnen gebruiken’ geen opvallende gebeurtenissen opgemerkt. De leerlingen stelden geen inhoudelijke vragen over de bronnen en werkten goed door. In de derde les, waarin de leerlingen voor het eerst bronnen gebruikten, stelden ze alleen over het bijstellen van het antwoord op basis van de bronnen enkele vragen (‘Is dit ook nodig als de bronnen bevestigen wat je al dacht?’ en ‘Mag je je eerste antwoord ook volledig veranderen?’). In de vierde les stelden de leerlingen helemaal geen vragen over dit onderdeel. Evaluatie van het redeneermodel De analyse van de opdrachten van de leerlingen leidt tot de conclusie dat zij in staat zijn om met het ontworpen redeneermodel redeneringen op te zetten en in die redeneringen gebruik te maken van de aangeboden bronnen. Ook in de klas verloopt het redeneren goed. Wel laten veel leerlingen zien dat ze het redeneren bij de eerste opdracht in les 3 flink uitdagend vinden. Ze moeten soms een tijdje nadenken, maar komen uiteindelijk allemaal tot redeneren. Ook blijkt dat een lesuur te kort is voor deze opdracht. Alle
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw