231 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel Terwijl bij opdracht 3 veel leerlingen een overwegend herkennende leeshouding laten zien, is dat bij de opdracht uit les 4 heel anders. De meeste leerlingen laten nu een interpreterende leeshouding zien, al zijn er in die interpretatie wel verschillen. Het is duidelijk dat deze opdracht meer uitnodigt tot een interpreterende houding dan de opdracht uit les 3. De verschillen in leeshouding bij opdracht 3 en 4 maken duidelijk dat de leerlingen selectief kunnen zijn in de leeshouding die zij inzetten. Dit komt overeen met een nadere bespiegeling van Witte (2022) met betrekking tot de door hem geïntroduceerde niveaus van literaire competentie. Hij geeft aan dat de zes competentieniveaus kunnen worden opgevat als een repertoire van handelingen die een leerling al dan niet flexibel kan hanteren. Flexibiliteit is dan een kenmerk van een hoger niveau van literaire competentie. Een leerling van bijvoorbeeld niveau 4 (interpreterend lezen), kan soms een herkennende houding laten zien en dus ook (als hij daartoe wordt uitgedaagd) reflecteren over de structuur en diepere lagen in het verhaal. Een lezer van niveau 1 kan een tekst niet anders dan belevend lezen en kan zich alleen maar amuseren (of niet) met een tekst. Van de 32 leerlingen in deze eerste onderzoekscyclus zijn er drie die continu een belevende of herkennende houding laten zien. De overige leerlingen laten meer flexibiliteit zien in hun leeshouding en tonen bij een aantal opdrachten ook een reflecterende, interpreterende of letterkundige leeshouding. Om leerlingen uit te dagen op het niveau te lezen en te redeneren dat ze daadwerkelijk aankunnen, moeten er dus opdrachten worden ontwikkeld die hen in deze richting sturen. Evaluatie van het brongebruik De resultaten van de opdrachten laten zien dat de leerlingen in staat zijn om de aangereikte bronnen in te zetten in hun redenering en ze ook effectief te gebruiken. Afgezien van de trailer van Het meisje met het rode haar, waarbij het maken van de beoogde interpretatie zonder ondersteuning niet realistisch bleek, tonen de leerlingen over het algemeen begrip van de bronnen. Tijdens het redeneren benaderen de leerlingen de inhoud van de bronnen met een duidelijk doel: ze parafraseren, beschrijven en interpreteren de informatie om deze vervolgens in te zetten in hun zoektocht naar het antwoord op een gestelde redeneervraag over literatuur. De confrontatie met de vooraf aangeleverde bronnen leidt tot bijstelling van het voorlopige antwoord en daarmee uiteindelijk tot nieuwe inzichten. Dit laat zien dat de stap ‘bronnen analyseren’ geschikt is als vorm van feedback. Wanneer we hierbij speciaal inzoomen op de tekstuele bronnen, zien we iets interessants gebeuren. Waar bij traditioneel leesvaardigheidsonderwijs tekstbegrip het doel is, gaat deze manier van lezen een stap verder: de leerlingen lezen en interpreteren niet alleen de tekst, maar gebruiken de boodschap ervan met een duidelijk
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw