229 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel ‘Later is het verhaal nog steeds vanuit zijn perspectief, maar andere mensen vertellen zijn verhaal áan hem, vanuit hun eigen perspectief. Hierdoor wordt Osewoudts beleving van zijn verhaal op de proef gesteld, en dus ook de beleving van de lezer.’ In het tweede antwoord verbindt leerling 2 deze analyse met een uitspraak over wat de auteur met deze roman voor ogen gehad zou kunnen hebben: ‘Ik heb uit dit alles over de bedoeling van de auteur geleerd dat de auteur expres eerst een hele overtuigende ‘waarheid’ heeft verteld via Osewoudt, maar daarna de lezer ook expres aan het twijfelen zet door andere perspectieven toe te voegen. De auteur liet de lezer onbewust geloven in het verhaal dat Osewoudt meemaakt, maar daarna wordt de lezer als het ware wakker geschud, en komt de lezer erachter dat het verhaal misschien toch anders gelopen is.’ Leerling 2 beëindigt deze les met een bewuste en onderbouwde interpretatie van De donkere kamer van Damokles waaruit inzicht blijkt in de literaire misleiding die Hermans in zijn roman toepast. Daarmee laat deze leerling zien dat ze inzicht heeft in de manier waarop vormkenmerken van de roman de interpretatie beïnvloeden, wat wijst op een interpreterende leeshouding. Van de totale groep laten 25 leerlingen een vorm van interpreterend lezen zien, maar hierin zijn wel gradaties aanwezig. 14 leerlingen maken, net als leerling 1, duidelijk dat ze beseffen dat de auteur bewust vormkenmerken heeft ingezet om bij de lezer vragen op te roepen en/of de roman aantrekkelijker te maken: ‘De roman geeft twee mogelijkheden, illusie of werkelijkheid. Hierop wordt niet echt een antwoord gegeven waardoor we achterblijven met twijfels, dit vind ik zelf eigenlijk wel leuk, hierdoor kun je namelijk een eigen wending aan het boek geven. Ik heb uit dit alles over de bedoeling van de auteur geleerd dat we zelf aan het denken worden gezet, de schrijver wil dat we zelf na gaan denken en het raadsel op gaan lossen. Doordat er op het einde ene soort raadsel overblijft, blijft de lezer met twijfels over waardoor de lezer zelf nog meer na gaat denken over een mogelijk einde.’ (Leerling 7) Deze leerlingen beseffen (mede door de aangeboden vraag) wel dat de auteur de lezer bewust laat twijfelen, maar leggen dit uit als ‘leuk’ of ‘spannend’. Ze kunnen op die manier zelf de oplossing zoeken en dat maakt een boek voor hen interessant. De bronnen worden door deze leerlingen geïnterpreteerd als bevestiging van deze conclusie:
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw