228 Hoofdstuk 9 Dit brengt leerling 1 tot de conclusie dat je het verhaal ‘vanaf meerdere kanten’ kunt bekijken: ‘Je kunt Osewoudt als een verrader beschouwen, maar ook als iemand die veel voor het verzet heeft gedaan.’ Ook dit is een inzicht dat zich nog sterk op verhaalniveau bevindt: deze leerling beschouwt de romanwerkelijkheid als een werkelijkheid die overeen moet stemmen met een door de lezer in het eigen hoofd gecreëerde kloppende werkelijkheid. In feite geeft leerling 1 aan dat de lezer twee verschillende manieren heeft om die kloppende werkelijkheid te creëren. Hij laat zien weinig inzicht te hebben verworven in de manier waarop literaire schrijvers lezers manipuleren. Dat blijkt ook uit het antwoord op de laatste inzichtvraag: ‘Ik heb uit dit alles over de bedoeling van de auteur geleerd dat hij de lezer wilde vermaken door middel van een aparte strategie te gebruiken. Hij laat de lezer zelf veel bedenken in het boek. Dit kan voor de lezer erg leuk zijn en zo kan de lezer helemaal in het boek duiken.’ Aan de ene kant benoemt de leerling wel dat de schrijver strategieën gebruikt, waarmee hij laat zien te beseffen dat de roman geconstrueerd is; aan de andere kant staan die strategieën in dienst van het vermaken en dat kan voor de lezer dan ook leuk zijn. De activiteiten van leerling 1 in de lessenreeks laten zien dat hij goed kan redeneren binnen het kader van een mimetische literatuuropvatting, waarin herkennend lezen centraal staat, maar dat hij niet gemakkelijk buiten dat kader kan gaan. Geholpen door de bronnen en de vraagstelling daarbij komt hij wel tot het inzicht dat de schrijver strategieën gebruikt, waarmee hij een deels interpreterende houding laat zien. De antwoorden van leerling 1 zouden erop kunnen wijzen dat sommige van de redeneeractiviteiten in de lessenreeks zich bevinden buiten wat Vygotski zijn ‘zone van naaste ontwikkeling’ noemt (Cole et al., 1978). Eerder was zichtbaar dat leerling 2 het inzicht heeft verworven dat een literaire tekst een bewuste constructie is van een auteur. In het antwoord op de vraag over de roman gebruikt deze leerling dan ook de term ‘perspectief’: ‘Ik heb uit dit alles over de roman geleerd dat het verhaal vanuit Osewoudt voor ons de waarheid lijkt, omdat het vanuit Osewoudts perspectief verteld wordt. Als lezer lees je het verhaal vanuit Osewoudts gedachten, dus dat hoeft niet per se allemaal de waarheid te zijn.’ Leerling 2 vervolgt met een verdere min of meer verteltechnische analyse over het tweede deel van de roman:
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw