Renate van Keulen

227 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel ‘De boodschap van deze bron is dat misdaadverhalen eigenlijk altijd hetzelfde lopen. Alle misdaadseries en -boeken beginnen met een gebeurtenis die moet worden opgelost en aan het einde wordt alles duidelijk.’ In een laatste denkstap verbindt de leerling deze bron met de gelezen roman om tot een subtiele conclusie te komen: ‘Deze bronnen laten mij zien dat er verhalen zijn die beginnen met duidelijke chronologische gebeurtenissen, maar die later toch anders blijken te zijn gegaan, en dat er verhalen zijn die beginnen met een raadselachtige gebeurtenis die later helemaal duidelijk wordt. Uit de bronnen blijkt dat er twee hele bekende manieren zijn om een misdaadverhaal te schrijven. Uit mijn eerdere voorlopige conclusie is te zien dat de auteur heeft gekozen voor de eerste manier; duidelijke chronologische gebeurtenissen die later toch anders blijken te zijn gegaan.’ De leerling combineert de twee bronnen in een conceptuele of theoretische uitspraak over hoe misdaadverhalen verteld worden en komt daarbij tot twee verhaaltypen. Vervolgens vergelijkt de leerling de gelezen roman met de twee verhaaltypen om te concluderen dat de roman het beste aansluit bij het eerste type: een tekst die duidelijke chronologische gebeurtenissen vertelt, die later toch anders blijken te zijn dan de lezer eerst dacht. De redenering van leerling 2 maakt duidelijk dat hij in staat is om literatuurhistorisch te redeneren en er bovendien in slaagt om deze redenering in een heldere tekst te verwoorden. In de derde fase van deze les redeneren de leerlingen nog een stap verder. Ze moeten stap 1 en 2 verbinden in een uitspraak over de roman en de bedoeling van de auteur van die roman. Dat is een complexe opdracht. We zien dan ook dat leerling 1 in deze fase vooral herhaalt wat al eerder aan de orde is geweest: ‘Het boek begint duidelijk en met een goed verhaal, maar aan het einde is het boek redelijk onduidelijk met raadsels.’ Opnieuw blijkt hier dat deze leerling leest vanuit een mimetische, dus herkennende leeshouding en vooral op zoek is naar antwoorden: ‘Aan het einde komt er ook wel een echt einde aan het boek maar het laat de lezer wel met onduidelijkheid achter.’

RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw