225 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel Deze leerlingen gaan in op de constructie van de roman en de wijze waarop die constructie hen als lezer anders naar het verhaal laat kijken of laat twijfelen. Ze zetten dus een extra stap ten opzichte van de groep leerlingen die als antwoord alleen een interpretatie geeft. Daarmee tonen ze deels een herkennende en deels een interpreterende houding. Zij schrijven niet zoals leerling 2 en vier andere leerlingen dat deze constructie met opzet is gekozen om de lezer te manipuleren. De stap ‘eigen inbreng’ blijkt waardevol, omdat hij de leerlingen uitnodigt vanuit hun lezersperspectief te reflecteren op de fragmentanalyse. De meeste leerlingen komen bij deze stap tot een verdieping van hun analyse. De analyse laat ook zien dat de stap daadwerkelijk leidt tot een persoonlijke inbreng in de redenering, die vervolgens weer ingezet kan worden in de voorlopige conclusie. Dit kan het gevoel van autonomie versterken in een opdracht die door de voorgeschreven stappen door sommige leerlingen mogelijk als sturend wordt ervaren. Met de stap ‘voorlopige conclusie’ geven leerlingen een voorlopig antwoord op de gestelde redeneervraag. Net als leerling 1 herhalen meerdere leerlingen bij deze stap onderdelen die ook bij de stap ‘eigen inbreng’ aan de orde zijn gekomen. De meeste leerlingen komen net als leerling 2 echter met een voorlopige conclusie die een uitkomst is van de fragmentanalyse en eigen inbreng. In die voorlopige conclusie laten ze vaak nog een extra verdiepingsstap zien. Zo concludeert leerling 13, van wie de stap ‘eigen inbreng’ hiervoor is weergegeven, het volgende: ‘Uit dit alles concludeer ik dat de auteur bewust twee totaal tegenovergestelde inzichten in dezelfde zaak heeft laten zien. Hiermee zorgt hij ervoor dat, ook al staat het verhaal al vast, er toch verschillende soorten interpretaties over het verhaal kunnen zijn. De auteur maakt hiermee het verhaal in het boek wel tot een einde, maar in je hoofd kan het verhaal nog lang doorgaan.’ (Leerling 13) In deze conclusie laat de leerling, anders dan bij de stap ‘eigen inbreng’ wel het besef zien dat de roman bewust zo geconstrueerd is dat hij de lezer in verwarring brengt. De analyse van de opdrachten laat zien dat de stap ‘voorlopige conclusie’ net als de stap ‘eigen inbreng’ van waarde is in het redeneerproces, omdat hij leerlingen uitnodigt extra verdieping aan te brengen in hun antwoorden. In de derde fase worden de leerlingen geconfronteerd met twee bronnen. De ene bron is een afbeelding van de lithodruk Relativiteit van M. C. Escher die een ‘onmogelijk’ trappenhuis laat zien, de andere bron gaat over waarom we zo graag naar misdaadseries kijken – omdat die uiteindelijk altijd tot een oplossing komen. Leerling 1 zegt over bron
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw