224 Hoofdstuk 9 In dit antwoord geeft leerling 2 een bondige, maar correcte analyse van het plot van de roman. In de laatste twee zinnen herhaalt de leerling dat ze denkt dat de auteur de lezer aan het twijfelen zet en verbindt ze deze gedachte aan een opdracht voor de lezer. De leerling concludeert vervolgens dat het de bedoeling van de auteur is geweest om de lezer in verwarring te brengen: ‘Uit dit alles concludeer ik dat het de bedoeling was van de schrijver om de lezer met twijfels achter te laten. De schrijver heeft het boek zo geschreven, dat jij als lezer eerst helemaal overtuigd bent van het verhaal vanuit Osewoudts perspectief, maar daarna veroorzaakt de schrijver weer verwarring en twijfel door het verhaal vanuit andere perspectieven te bekijken.’ Deze conclusie laat zien dat leerling 2 in staat is een complexe roman als De donkere kamer van Damokles adequaat te analyseren en te interpreteren. Bij de stap ‘eigen inbreng’ geven zowel leerling 1 als leerling 2 een verdieping van de fragmentanalyse. Ze proberen de inhoud van hun fragmentanalyse verder te verklaren, waarbij ze ook hun eigen gedachten of ideeën verwoorden. Leerling 1 probeert te verklaren waarom de lezer vragen gaat stellen en stelt vervolgens zelf een eigen lezersvraag; leerling 2 gaat verder in op het effect dat de auteur bij haar wil bereiken en de manier waarop hij dat doet. Een analyse van de opdrachten van de overige leerlingen laat zien dat ongeveer een derde bij de stap ‘eigen inbreng’ kiest voor een interpretatie zonder reflectie: ‘Zelf denk ik dat het mogelijk is dat Dorbeck alleen in de gedachten van Osewoudt bestaat. Gestoordheid zit namelijk ook al in de familie als je kijkt naar de moeder van Osewoudt.’ (Leerling 12) De grootste groep leerlingen geeft net als leerling 1 wel een interpretatie of oordeel, maar probeert ook het ontstaan hiervan te verklaren: ‘Zelf denk ik dat Osewoudt zich dingen verbeeldt, maar ik denk dat pas sinds de argumenten van Selderhorst en de psychiater. Eerst zien wel natuurlijk alles vanaf Osewoudt, en had ik geen reden om zijn ervaringen in twijfel te trekken. Ik was net zo overtuigd als Osewoudt. Alleen later wordt juist de hele andere kant belicht waarbij ik juist ben gaan nadenken over hoe onlogisch sommige dingen waren. Langzaam ging de politie van, in Osewoudts ogen, ‘bad guy’ naar, in de ogen van de rest van de wereld, de ‘good guy’. En met het perspectief op Osewoudt gebeurde eigenlijk precies het tegenovergestelde.’ (Leerling 13)
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw