222 Hoofdstuk 9 leeshouding versterkt, omdat de vraagstelling gericht is op een vergelijking tussen de roman en de werkelijkheid. Leerlingen worden hierdoor mogelijk op het idee gebracht om de roman als representatie van de werkelijkheid van de auteur te zien, Een andere vraagstelling daagt de leerlingen wellicht uit om op een ander niveau te lezen en te redeneren. Daarom is het interessant om ook de tweede redeneeropdracht die de leerlingen hebben gemaakt (een volledige redenering opzetten) te analyseren, alvorens de resultaten van de evaluaties en observaties met betrekking tot het redeneren te bespreken. Een volledige redenering opzetten In de vierde les van de lessenreeks werden de leerlingen uitgedaagd om zelf een volledige redenering op te zetten met de volgende vraag als uitgangspunt: Als lezer beleef ik de avonturen van Osewoudt mee: de eerste ontmoeting met Dorbeck, de verzetsdaden die hij verricht, zijn metamorfose, zijn gevangenschap en vlucht, zijn romance met Marianne. Op het moment dat Osewoudt wordt ondervraagd door inspecteur Selderhorst, worden alle handelingen van Osewoudt waarover ik gelezen heb besproken, maar vanuit een ander perspectief. Osewoudt wordt als collaborateur gezien. Hoe en waarom brengt de auteur mij als lezer op dat moment aan het twijfelen? De leerlingen moeten eerst beschrijven wat ze met het oog op deze vraag uit de tekst halen, daarna moeten ze aangeven wat ze zelf weten of denken met betrekking tot het onderwerp van de vraag en vervolgens moeten ze op basis deze twee stappen een voorlopige conclusie geven. Bij de eerste fase van de redenering, de analyse van de tekstfragmenten, haalt leerling 1 uit de tekst dat de roman de lezer met veel vragen achterlaat: ‘Uit de tekst haal ik dat je nadat je het boek hebt gelezen overblijft met veel twijfels. Dit komt omdat duidelijk wordt dat Dorbeck nooit heeft bestaan. Ook werd gedacht dat Osewoudt samenwerkte met de Duitsers. Osewoudt draait uiteindelijk helemaal door. Hierdoor wordt de lezer achtergelaten met veel vragen. Heeft Dorbeck nou bestaan? Zo niet, waarom is het dan allemaal verzonnen?’ Leerling 1 geeft op basis van het fragment een constatering (Dorbeck heeft nooit bestaan), beschrijft dan wat er in het fragment gebeurt en eindigt met de opmerking dat de lezer met vragen achterblijft. Bij de eigen inbreng op basis van de vraag ‘Wat weet of denk ik zelf?’ gaat de leerling in op de vraag waarom hij zich als lezer die vragen stelt:
RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw