Renate van Keulen

219 De eerste onderzoekscyclus: het redeneermodel gaan. Vandaar ook dat leerling 1 een verschil benoemt tussen de roman (doden zonder veel emotie en plan) en de bronnen (vaak wel doelgericht). In het tweede deel van het inzicht trekt leerling 1 het verschil tussen roman en bronnen door (ze komen niet goed overeen), maar dat lijkt in het nadeel van de roman uit te vallen: hij geeft aan iets geleerd te hebben over hoe de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog in elkaar zit. In zekere zin diskwalificeert deze leerling de literaire tekst als historische bron (‘wat wel in het boek verteld wordt’). Deze redeneerwijze sluit aan bij de eerdere observatie dat deze leerling de tekst mimetisch leest: de leerling is erop gericht de tekst te lezen als een geloofwaardige afspiegeling van de werkelijkheid. De conclusies die hij uit de bronnen trekt, doen leerling 1 twijfelen aan de geloofwaardigheid van de roman. Deze leerling komt hierdoor niet tot het inzicht dat die ongeloofwaardigheid (of fictionaliteit) een kenmerk van literatuur is. Leerling 1 laat hiermee duidelijk een herkennende leeshouding zien. Leerling 2 formuleert na deze les een ander inzicht. Ook deze leerling doet een uitspraak over de wijze waarop de schrijver de tekst geconstrueerd heeft, maar deze uitspraak bevat meer tekstdetails dan de uitspraak van leerling 1. Leerling 2 benoemt het feit dat de auteur een personage beschrijft en vertelt iets over de eigenschappen van dat personage: ‘Osewoudt wil zijn als Dorbeck’. Ook benadrukt leerling 2 dat Osewoudt zich dingen in zijn hoofd haalt die niet helemaal kloppen met de werkelijkheid (de gedachte dat hij in het verzet zit en daarom zo maar iemand mag doden). Leerling 2 plaatst de bronnen en de literaire tekst, anders dan leerling 1, niet tegenover elkaar, maar gebruikt de bronnen om te laten zien dat er in de historische werkelijkheid inderdaad gemoord werd en dat mensen daardoor als helden werden gezien. Ze koppelt die historische werkelijkheid aan wat Osewoudt zich in zijn hoofd haalt. In zekere zin doet leerling 2 het omgekeerde van wat leerling 1 doet. Leerling 2 verwerft het inzicht dat er een spanning is tussen de historische werkelijkheid en de romanwerkelijkheid en past de lezing van de bronnen zo aan dat die aansluiten bij de door haar als lezer gecreëerde romanwerkelijkheid. Waar leerling 1 een adequate vergelijking maakt tussen de literaire tekst en de aangereikte bronnen, maar daar geen literatuurhistorische conclusies aan verbindt, verwerft leerling 2 hier vooral inzicht in de constructie van de literaire tekst (en minder in de relatie tussen de tekst en de historische werkelijkheid). Leerling 1 laat een herkennende houding zien en leerling 2 een interpreterende houding: zij heeft aandacht voor de vorm van de tekst en laat zien te beseffen dat de tekst geconstrueerd is. Het doel van deze les was dat de leerlingen het inzicht zouden verwerven dat Hermans in zijn roman een beeld neerzet dat een ander perspectief biedt dan veel andere naoorlogse beschrijvingen van het verzet. Van de 32 leerlingen is er niet één die

RkJQdWJsaXNoZXIy MTk4NDMw